Epilepsie is het herhaald optreden van toevallen. Meestal komen
die aanvallen met een zekere regelmaat van gemiddeld eens per maand.
Treden ze vaker op, dan zijn medicijnen noodzakelijk.Aanvallen
ontstaan doordat er in de hersenen bepaalde signalen niet worden
afgezwakt. In normale gevallen worden in de hersenen een heleboel
signalen ontvangen, verwerkt en verzonden. Het wordt allemaal
automatisch in de juiste banen geleid. Als een hond epilepsie heeft,
worden de signalen niet allemaal op de juiste manier verwerkt. Ze
hopen zich als het ware op en op een bepaald moment komen ze tot een
uitbarsting in de vorm van een aanval. De hond zelf merkt daar in
principe weinig van.
Er bestaan twee soorten epilepsie: primaire epilepsie, ook wel idiopatische,
genetische of 'echte' epilepsie genoemd en secundaire epilepsie, waarbij een
aanwijsbare oorzaak te vinden is.
Epilepsie bestaat zoals al eerder verteld uit het herhaaldelijk optreden van
aanvallen. Bij honden zijn er drie soorten aanvallen te onderscheiden:
- Partiële aanvallen, waarbij bepaalde delen van het lichaam betrokken zijn,
zoals bijvoorbeeld stuiptrekken, vlieghappen, zenuwtrekjes in het gezicht of het
trekken met een oor.
- Gegeneraliseerde aanvallen, ook wel grand mal genoemd. Deze aanvallen bestaan
uit twee fasen: de tonic en de clonic fase. De tonic fase is herkenbaar aan het
omvallen van het dier, verlies van bewustzijn, het verstijven van de poten en
krampen van het hele lichaam. Soms stopt ook de ademhaling. Deze fase duurt
gewoonlijk ongeveer 10-30 seconden. De clonic fase bestaat uit het bewegen van
het hele lichaam, waaronder het heftig bewegen van de poten (het zogenaamde
'lopen'). Bij beide fasen kan ook de controle over blaas of darmen wegvallen en
kan er salivatio optreden. In sommige gevallen verschijnt er schuim om de mond.
- Atypische aanvallen, welke niet in te delen vallen bij de vorige twee soorten.
De meeste aanvallen zijn in drie fasen in te delen.
De prodrome is de beginfase voor de werkelijke aanval. Hierin treedt
een bewustzijnsverandering op. De hond is onrustig en vertoont soms afwijkend
gedrag. Het dier kan aanhankelijker worden, of zich juist terugtrekken. Soms is
er een vreemde blik in de ogen te zien. De prodrome kan enkele minuten tot
enkele dagen aanhouden. Enkele seconden tot enkele minuten voor de feitelijke
ictus (zie hieronder) vindt de aura plaats, een kortdurend vreemd gedrag, of
raar kijken van de hond.
De ictus is de werkelijke aanval, waarin dus de tonic en de clonic
fase optreden. De hond valt om, verstijfd gedurende een korte periode (± 30
seconden), gevolgd door ontspanning, waarbij krampen en heftige beweging met de
poten optreed. De ictus duurt ongeveer 1-3 minuten.
De postictale fase is de periode na de aanval. De hond komt bij
bewustzijn, krabbelt overeind en is meestal een poosje de kluts kwijt. Sommige
honden hebben extreme honger of dorst. Vaak zien ze slecht en hebben moeite met
bewegen. Enkele honden zijn vlak na de aanval overactief en anderen zijn juist
geheel uitgeteld. De post-ictale fase kan enkele minuten tot enkele dagen duren.
We vertelden bij de uitleg over epilepsie al dat er twee soorten epilepsie
bestaan: primaire en secundaire epilepsie.
Primaire epilepsie wordt ook wel idiopatische, genetische of 'echte'
epilepsie genoemd. Voor dit soort epilepsie is meestal geen oorzaak te vinden.
De diagnose wordt gesteld door alle andere oorzaken uit te sluiten. Primaire
epilepsie ontstaat meestal als de hond een leeftijd heeft tussen 6 maanden en 5
jaar (met een gemiddelde van 3 jaar).
Door onderzoeken is inmiddels aangetoond dat idiopatische epilepsie een
erfelijke grondslag heeft. Het is dus ook verstandig met honden die epilepsie
hebben niet te fokken. U kunt het beste de fokker (en rasvereniging) van uw hond
inschakelen, aangezien het noodzaak is de lijn waarin de epilepsie voorkomt,
geheel van de fok uit te sluiten.
Secundaire epilepsie wordt gekenmerkt door een aanwijsbare oorzaak die voor
de aanvallen te vinden is. Er zijn tal van oorzaken voor secundaire epilepsie,
waarbij het doel van de behandeling is, de oorzaak weg te nemen, wat echter soms
moeilijk is, omdat de oorzaak niet altijd duidelijk is vast te stellen.
De meestvoorkomende oorzaken voor secundaire epilepsie is hepato-encefalopathie
en hersentumoren. Hepato-encefalopathie treedt vaak op bij hele jonge honden (<1
jaar) of oude honden (>6 jaar). Bij jonge honden wordt het vaak veroorzaakt door
een levershunt. Een levershunt is een aangeboren afwijking waarbij bepaalde
bloedvaten niet goed zijn aangelegd. Hierdoor kan de lever gifstoffen niet uit
het bloed zuiveren, waardoor o.a. ammoniak in het bloed achterblijft. Deze
ammoniak kan zorgen voor gedragsveranderingen, agressie en epileptiforme
aanvallen.
Bij de oudere hond wordt hepato-encefalopathie vaak veroorzaakt door acute
hepatitis.
Hersentumoren zijn er in vele soorten en maten. Vaak kan alleen middels een
hersenscan (CT-scan) worden aangetoond of er sprake is van zo'n tumor. Over het
algemeen komen hersentumoren meer bij de oudere hond voor, dan bij de jongere en
helaas is er in de meeste gevallen weinig aan te doen als bij een hond een tumor
wordt vastgesteld.
Secundaire epilepsie komt meestal tot uiting als de hond jonger is dan 6
maanden, of ouder is dan 5 jaar.
Naast hepato-encefalopathie en tumoren zijn er nog een aantal andere
aandoeningen die epileptiforme aanvallen veroorzaken. We noemen er een aantal
van:
Hypoglycemie, ofwel een te laag bloedsuikergehalte. Dit komt soms voor bij
pups en bij jachthonden (hunting dog hypoglycemic syndrome). Ook bij een
insulinoom wordt dit symptoom gezien. Een insulinoom is een woekering van
kliercelletjes in de alvleesklier. Deze gezwelletjes produceren insuline,
waardoor de hond aanvalsgewijs een veel te laag bloedsuikergehalte heeft.
Doordat de hersenen te weinig voeding krijgen, kunnen er epileptiforme aanvallen
optreden.
Intoxicaties, waarbij vaak acute epileptiforme aanvallen optreden. In het
bloed worden veelal geen afwijkingen aangetroffen. Diagnose is echter erg
moeilijk als er geen duidelijke aanwijzingen zijn.
Meningo-encephalitis (hersenvliesontsteking) is een progressief verlopende
aandoening, waarbij ook epileptiforme aanvallen kunnen optreden. Vooral bij een
infectieuze ontsteking kunnen de aanvallen het enige duidelijke symptoom zijn.
Zoals we al eerder lazen, kent epilepsie een aantal verschillende soorten
aanvallen. We noemden al de partiele aanvallen, de gegeneraliseerde aanvallen en
de atypische aanvallen.
Partiële aanvallen beginnen doorgaans plaatselijk (lokaal) en komen op die
manier ook meestal tot uiting: trillen met een oor of een poot, of knipperen met
een oog. Soms breiden zulke aanvallen zit uit tot een gegeneraliseerde aanval.
Afhankelijk van de plaats (lokalisatie) kan een partiële aanval zich op
verschillende manieren manifesteren. Als voorbeeld kunnen we noemen de "lobus
temporalis" aanvallen (psychomotorische aanval), waarbij de hond achter zijn
staart aanrent of naar denkbeeldige vliegen hapt, en de Jacksonische epilepsie
(epilepsie van Jackson) waarbij de partiële aanval die bijvoorbeeld in 1 poot
begint, zich geleidelijk uitbreid naar een gegeneraliseerde aanval.
Gegeneraliseerde aanvallen worden ook wel grand mal genoemd. We schreven al
dat zo een aanval uit drie fasen bestaat, waarvan de tweede fase ook weer uit
twee delen bestaat.
De aanval begint met de prodrome en de aura, waarbij de hond zich anders dan
normaal gedraagt. Hij vraagt soms meer aandacht, is heel onrustig, weet niet
goed wat hij wil. Vlak voor de aanval valt dat het meest op; als de hond in de
aura zit. Kort daarop begint de tonic fase van de ictus: de hond valt om,
verstijft, er ontstaat opisthotonos en soms stopt de ademhaling. Deze fase is
doorgaans vrij kort: meestal 10-30 seconde en wordt gevolgd door de clonic fase,
waarin de hond met de poten begint te trappen, soms kauwbewegingen maakt en
urine en/of ontlasting laat lopen. De pupillen kunnen zich verwijden, er kan
salivatio optreden en soms gaan alle haren overeind staan (piloerectio). Deze
fase duurt ongeveer 1-2 minuten.
De postictale fase is de afsluiting van de aanval. Soms is de hond meteen weer
normaal, vaker echter is hij onrustig, gedesorienteerd, en loopt zwabberig rond.
Soms treed blindheid op. De verschijnselen kunnen in duur varieren tussen de
enkele minuten en enkele dagen.
De atypische aanvallen spreken voor zich; dat zijn aanvallen die niet in te
delen vallen in de eerder genoemde groepen. Dit soort aanvallen komen eerder bij
mensen voor, dan bij dieren.
Soms wordt er wel eens gesproken over petit mal (absence) aanvallen. Dit
soort aanvallen zijn ongewoon bij honden, ofwel worden vaak niet waargenomen
door de eigenaar. Aangezien ze bij mensen regelmatig voorkomen, vallen ze dus
onder de groep atypische aanvallen.
Buiten de genoemde soorten aanvallen, zijn er een tweetal bijzondere vormen
van een gegeneraliseerde aanval, waar extra aandacht aan besteed moet worden:
Clustering
Dit is wanneer een hond meerdere aanvallen op een dag heeft (met een tussentijd
die kan variëren van enkele minuten tot enkele uren), waarvan hij tussentijds
voldoende hersteld, dus waarbij een duidelijk herkenbare postictale fase
optreedt. U dient uw dierenarts hiervan op de hoogte te stellen, aangezien een
cluster vaak niet vanzelf stopt, maar met medicijnen doorbroken moet worden (zie
<valium protocol>).
Status epilepticus
Hierbij is sprake van een aanval, die langer dan enkele minuten duurt, waarbij
de hond niet of nauwelijks bij bewustzijn komt en er geen duidelijke post-ictale
fase optreedt. Elke aanval wordt gevolgd door een nieuwe, waardoor de aanvallen
eindeloos door kunnen gaan.
Indien u vermoed dat uw hond in een status epilepticus verkeert, dan dient u
met spoed diergeneeskundige hulp in te roepen. Bij niet tijdig ingrijpen kunnen
er complicaties optreden die het leven van uw hond in gevaar brengen!
Echte symptomen zijn er niet bij idiopatische epilepsie. Als de hond bij de
dierenarts komt, is de aanval vaak allang weer over. Meestal wordt door de
eigenaar beschreven wat er precies gebeurd tijdens een aanval en moet de
dierenarts naar aanleiding daarvan bekijken of het gaat om primaire of
secundaire epilepsie. Een werkelijke diagnose is dus ook moeilijk te stellen.
Idiopatische epilepsie wordt daarom vastgesteld door alle oorzaken voor de
aanvallen uit te sluiten middels gedegen onderzoek.
Wat moet u doen als uw hond voor het eerst een aanval heeft gehad. Dat kunnen
twee dingen zijn: u wacht af en kijkt of er een tweede aanval volgt, of u gaat
langs uw dierenarts. Meestal zal uw dierenarts ook zeggen nog even af te
wachten, maar als u zich er prettiger bij voelt kunt u uw dierenarts vragen uw
hond alvast een basisonderzoek te geven, dat bestaat uit het beluisteren van
hart en longen en eventueel een kort neurologisch onderzoekje.
Als er binnen afzienbare tijd een tweede aanval volgt, is het verstandig uw
dierenarts om een bloedonderzoek te vragen. Hiermee kunnen de belangrijkste
functies als lever, nieren en schildklier worden onderzocht. Tevens zijn er nog
extra onderzoeken in het profiel opgenomen die bij afwijkingen op bepaalde
aandoeningen kunnen wijzen.
Het kan zijn dat er uit deze onderzoeken een uitslag komt. Middels deze uitslag
kan er een behandeling worden ingesteld, die naar alle waarschijnlijkheid de
aanvallen doen verdwijnen.
Vaak echter toont het onderzoek geen afwijkingen. Door te kijken naar bepaalde
omstandigheden, zoals soort aanval, leeftijd van de hond en ras, kan er wel of
niet vervolgonderzoek worden aangeraden. Als uw hond bijvoorbeeld al op leeftijd
is, of gedrag vertoont dat niet echt bij epilepsie past, kan er een scan worden
aangeraden.
Voldoet uw hond echter aan het "plaatje" van de doorsnee epilepsiepatient, dan
is het belangrijk eventueel een behandeling in te stellen met anti-epilepsie
medicijnen. Daarvoor kunnen de volgende richtlijnen worden aangehouden:
Uw hond heeft een interictale periode van meer dan 6 weken (minder dan eens
per 6 weken een aanval). In dat geval is een behandeling met medicijnen niet
nodig. Treden er echter vaker dan eens per 6 weken aanvallen op, dan is het
verstandig een therapie in te stellen. Deze zal voornamelijk bestaan uit
behandeling met fenobarbital. Het doel van deze behandeling is de tijd tussen
twee aanvallen te verlengen, de hevigheid van een aanval te verminderen en het
voorkomen van clustering en status epilepticus.
Op bovenstaand traject zijn enkele uitzonderingen: als uw hond direct vanaf
het begin meerdere aanvallen heeft, dient u uw dierenarts te raadplegen. Zoals
al eerder verteld stopt een cluster veelal niet uit zichzelf, waardoor in zulke
gevallen de behandeling beter direct kan worden gestart. Uiteraard is hetzelfde
van toepassing als uw hond in een status epilepticus geraakt: veterinaire hulp
is daarbij van levensbelang!
Als er uit de standaard onderzoeken niets bijzonders komt, maar u hebt toch
het gevoel dat uw hond niet voldoet aan alle "doorsnee" symptomen van primaire
epilepsie, dan kunt u aanvullend onderzoek laten doen. Zulke onderzoeken kunnen
omvatten: een CT-scan, een EEG, een ECG, of een liquorpunctie.
Een CT-scan (CT staat voor computertomografie) kan tegenwoordig in de
faculteitskliniek in Utrecht worden gemaakt. Er wordt middels een speciaal soort
scan gekeken of er ruimte innemende processen in de hersenen zitten. Een
negatieve uitslag van zo'n scan wil echter niet zeggen dat er ook daadwerkelijk
geen tumor zit. Soms zijn de tumoren niet te ontdekken.
Een EEG (electro-encefalogram) is een onderzoek waarbij de electrische
aktiviteit van het hersenweefsel wordt onderzocht. De kennis van deze methode is
echter in de veterinaire wereld nog te beperkt om als een zinvol onderzoek te
worden aangemerkt.
Een ECG (electrocardiogram) is een hartfilmpje waarbij de electrische
aktiviteit van de hartspier wordt gemeten.
Bij een liquorpunctie wordt wat heldere vloeistof uit bijvoorbeeld het
ruggenmerg gehaald en cytologisch onderzocht. Als er een verhoogd eiwitgehalte
wordt gevonden, kan dit wijzen op tumoren en/of degeneratieve aandoeningen. Als
het cellenaantal is verhoogd, kan dat wijzen op ontstekingen. Ook bij dit
onderzoek wil het niets vinden niet zeggen dat er ook daadwerkelijk niets aan de
hand is.
Omdat secundaire epilepsie een veelvoud aan oorzaken en behandelingen kent,
beperken we ons op deze pagina enkel tot de behandeling van primaire epilepsie.
Zodra de vermoedelijke diagnose van primaire epilepsie is gesteld en uw hond
vaker dan eens per 6 weken een aanval heeft, wordt er een behandeling met
medicijnen ingesteld. Vaak zal dit fenobarbital zijn. Al naar gelang het gewicht
van uw hond zal er een dosering worden berekend. Deze dosering is naast het
gewicht geheel afhankelijk van hoe uw hond op deze medicijnen reageert. Sommige
honden hebben meer of minder van de medicijnen nodig dan een andere hond met
hetzelfde gewicht. Het is dus ook belangrijk dat u in de begin periode een goed
contact houdt met uw dierenarts en hem of haar eventuele bijwerkingen meldt.
Naar aanleiding daarvan kan de dosis voor uw hond worden bijgesteld totdat de
juiste dosering is gevonden.
Soms gebeurd het dat een hond niet goed op fenobarbital reageert: hij wordt
hyperactief, is helemaal niet zichzelf en de aanvallen komen heviger terug. Het
is dan belangrijk zo snel mogelijk uw dierenarts in te schakelen, die dan twee
dingen kan doen: hij laat de spiegel van het medicijn in het bloed testen om te
kijken of dat misschien te hoog is, of hij kan andere medicijnen voorschrijven.
Vaak is het echter zo dat zulke honden de juiste spiegel in het bloed hebben,
maar ondanks dat niet reageren op de medicijnen, waardoor uiteindelijk toch voor
een andere therapie wordt gekozen.
Zo'n andere therapie kan bestaan uit een van de volgende medicijnen:
• Primidon
• Epitard
• Kaliumbromide
• Valium
• Overige middelen
Primidon (Mysoline) wordt in de lever omgezet tot fenobarbital, waarbij
als reststof phenylethylmalonzuur (PEMA) overblijft. Deze reststof kan bij
langer gebruik ernstige leverproblemen veroorzaken. Primidon wordt daarom ook
alleen bij uiterste noodzaak gebruikt. Mocht uw dierenarts deze medicijnen
voorschrijven, vraag hem dan in plaats van primidon fenobarbital voor te
schrijven.
Epitard (slow-release fenytoïne) is een medicijn dat ontwikkeld is
voor honden die niet goed op de gebruikelijke therapie van fenobarbital
reageren. Het vertoont minder bijwerkingen dan fenobarbital.
Kaliumbromide (KBr) werd vroeger veelvuldig gebruikt en is
waarschijnlijk het oudste anti-epileticum dat er bestaat. Dit medicijn heeft als
nadeel een lang halfwaardetijd en heeft verscheidene bijwerkingen als
duizeligheid, sedatie, emotionele stoornissen, constipatie en braken. Daardoor
is het wat in onbruik geraakt toen fenobarbital op de markt kwam. Echter neemt
het gebruik van dit middel de laatste tijd weer toe.
Valium (diazepam) is niet echt een anti-epilepticum. Het medicijn
breekt een aanval af, maar voorkomt geen nieuwe. Daarom wordt Valium veelvuldig
ingezet ter doorbreking van clusters (zie de pagina <valium protocol> en bij de
behandeling van status epilepticus.
De overige medicijnen bestaan hoofdzakelijk uit humane producten (valproïnezuur,
carbamazepine, paramethadione, diphenylhydantoine) die bij de hond weinig tot
niet effectief zijn wegens een te snelle halfwaardetijd.
valium protocolPROTOCOL FOR THE EMERGENCY MANAGEMENT OF CLUSTER
SEIZURES IN DOGS
This protocol combines 2 approaches for the
emergency management of cluster seizures in dogs at home and has proven to
be very effective. Valium and its generic name diazepam are used
interchangeably throughout. As always, consult with your veterinarian before
trying anything different.
Something which has been highly effective is to add oral valium to the
liquid valium to maintain the level until you feel that the cluster period
is past for a safe period.
The other approach is to administer an extra dose of whatever antiepileptic
drugs (AED) the dog is on after the 1st seizure and after each successive
seizure in the cluster.
Some key points:
- You must hit the cluster as early as possible with administration of
the liquid valium administered rectally to be most effective. Liquid
valium should be administered rectally immediately after the 1st seizure
or definitely after the 2nd seizure within a relatively short period of
time, say 30 minutes or less. The more seizures that they have in a
cluster before starting treatment, the harder it is to break the
cluster. Dr. Podell's article has guidelines of a low dose of 0.5mg/kg
to a high dose of 2.0mg/kg. It is important to use valium or the generic
equivalent diazepam. There are other varieties, i.e. oxazepam that have
different half lives and periods of efficacy and do not apparently work
as well.
- ABSOLUTELY necessary to be effective is to hit the cluster hard with
enough liquid and oral valium. You are not going to kill them by giving
them too much valium unless you gave them massive doses. There are
guidelines in Dr. Podell's article on his research on the use of rectal
valium on how much to use per kg of the dog's weight.
These guidelines are a low dose of 0.5mg valium per kg of dog's weight
to a high dose of 2.0mg valium per kg of dog's weight.
- Maintain valium administration with oral doses once the dog comes
around and can swallow the tablets until you feel they have gone a
"safe" period seizure free. This "safe" period would normally be at
least 12 hours, perhaps as long as 24 hours depending on the individual
case. For a 100lb dog (±45kg), this maintenance dosage would be about
30mg of valium every 3 hours, again needing to be adjusted for the
individual case.
NOTE: The only difference with the use of the rectal and the oral valium
is how quickly it gets into the bloodsteam and is effective. The liquid
valium administered rectally is absorbed quickly and begins being
effective within 10 minutes, whereas the oral valium could take 30
minutes or longer. Also, the liquid valium can be administered rectally
even while the dog is having a seizure, which would not be possible with
the oral valium. Therefore, liquid valium is used rectally for the 1st
dose to start having an effect to break the cluster as quickly as
possible. After the 1st dose of rectal valium, you can use the oral
valium to maintain the level.
- Valium has a short life, therefore you need to give additional oral
valium every 3 to 4 hours to keep the level up.
- After the 1st seizure and again after the 2nd seizure, (if the 2nd
follows within 4 hours of the 1st,) an additional dose of the AED drugs
is administered (in this case, Pb and Kbr).
In summary:
a) during the 1st seizure, administer liquid valium per rectum in a dosage
at least equal to the recommended low dose. After your dog has started to
come out of the seizure and you feel they can once again swallow safely,
administer additional oral valium tablets to bring the total dosage of
combined rectal liquid valium and oral valium tablets into at least the
mid-range of recommended dosages. At the same time, administer an extra dose
of the antiepileptic drugs that they are normally on.
b) if a 2nd seizure occurs within a fairly short period of time, say
within 4 hours, repeat step a).
c) if there is not a 2nd seizure within 3 hours after the 1st, administer
additional oral valium to maintain the level. Continue every 3 hours until
you feel the emergency has passed, usually for the period of the next 12 to
24 hours
NOTE: Once again, you should always consult with your veterinarian. The
dosages and timing of administration would need to be adjusted to your
individual case. The key point is use of the rectal valium early in
sufficient dosage to be effective, followed by oral valium to maintain the
level, and additional dosages of the AED that your particular dog is on.
The main approach this protocol is based on is described in Dr. Podell's
article:
Podell, M. The use of diazepam per rectum at home for the acute management
of cluster seizures in dogs. J Vet Int Med (1995) 9:68-74.
The address for reprint requests is:
Michael Podell, DVM
Department of Veterinary Clinical Sciences
601 Tharp Street
College of Veterinary Medicine
Columbus, OH 43210
WAT TE DOEN ALS...
... mijn hond een aanval heeft. Blijf rustig en doe zo weinig mogelijk. U
kunt de aanval toch niet meer stoppen. Probeer niet tijdens een aanval
medicijnen toe te dienen; dit is zinloos en gevaarlijk. Verwijder andere honden
uit de kamer of hou ze uit de buurt. Praat zachtjes tegen uw hond. Probeer niet
het hoofd vast te houden; uw hond maakt onwillekeurige bewegingen en kan middels
het klappen van de kaken een beet veroorzaken. Dit is ook de reden dat u NIET de
bek vast moet houden of een "bekbandje" moet aanleggen, zoals door ondeskundige
nog wel eens wordt aangeraden om een tongbeet te voorkomen. Een tongbeet komt
echter zelden voor en het dichtbinden van de bek is derhalve enkel een onnodige
belasting voor uw hond. Zorg ervoor dat uw hond zich niet kan bezeren aan
meubilair of scherpe voorwerpen.
... de voorgeschreven medicijnen niet (goed) werken. U kunt overwegen
het medicijn meerdere keren per dag te geven. Dus in plaats van twee keer daags
drie keer daags. Zorg er wel voor dat de totale hoeveelheid medicijn gelijk
blijft. Probeer ook de giften zo gelijk mogelijk over de dag te verdelen: twee
maal daags betekend dus elke 12 uur en drie maal daags betekend elke 8 uur.
Mocht deze wijziging ook niet effectief zijn, overleg dan met uw dierenarts om
de spiegel te bepalen en/of eventueel een ander medicijn te proberen.
... mijn hond geopereerd moet worden. Vertel uw dierenarts dat uw hond
epilepsie heeft en eventueel medicijnen krijgt. De toediening van de medicijnen
mag niet gestaakt worden. Ook bij het nuchter blijven moet uw hond de medicijnen
krijgen toegediend. Vraag uw dierenarts rekening te houden met de narcose; een
aantal anesthetica kan aanvallen opwekken.
... mijn hond zijn medicijnen uitbraakt. Als uw hond kort na het
toedienen de medicijnen uitbraakt en u ziet dat de tabletten nog vrijwel intact
zijn, dan kunt u een nieuwe dosis toedienen. Zit er echter een (korte) periode
tussen het toedienen en het uitbraken, en ziet u de tabletten niet (meer), dan
is het verstandig de helft van de normale dosis toe te dienen, om te voorkomen
dat de spiegel te ver daalt. Op het eerstvolgende toedientijdstip geeft u dan
weer de volledige dosis.
... de aanvallen niet stoppen. Schakel direct diergeneeskundige hulp
in! Uw hond kan in een status epilepticus verkeren en niet tijdig ingrijpen kan
het leven van uw hond in gevaar brengen!
Kan mijn hond dood gaan aan epilepsie?
Nee, uw hond kan niet doodgaan aan epilepsie. Wel is het mogelijk dat uw hond
door niet-tijdig ingrijpen aan complicaties overlijdt. Meestal is dat
oververhitting bij een status epilepticus, waardoor de temperatuur van uw
hond dusdanig oploopt dat alle lichaamsfuncties in gevaar komen en uiteindelijk
niet goed meer werken. Als uw hond dus ook meer dan 1 aanval in de 24 uur heeft,
schakel dan uw dierenarts in.
Mijn pup van 3 maanden heeft een aanval gehad en mijn dierenarts heeft hem
medicijnen gegeven (fenobarbital). Is dat wel goed? Als uw hondje slechts 1
aanval heeft gehad is het zeer onverstandig nu al met medicijnen te starten.
Veel beter is het om uw hondje goed te laten onderzoeken, omdat hij eigenlijk te
jong is om al epilepsie te ontwikkelen. Als de aanvallen later toch opnieuw
verschijnen en er geen oorzaak gevonden wordt, is het vroeg genoeg om met
medicijnen te beginnen.
Ondanks de medicijnen krijgt mijn hond nog steeds aanvallen, die steeds
sneller op elkaar volgen. Hoe kan dat? Het kan zijn dat de dosis voor uw
hond te laag ligt. U kunt dit door uw dierenarts laten controleren door de
spiegel van het medicijnen te laten testen. Naar aanleiding van de uitkomst kan
dan de dosis al dan niet worden aangepast. Soms gebeurd het ook wel dat een hond
slecht op bepaalde medicijnen reageert. Het beste is dan om over te stappen op
een ander medicijn. Voor honden bestaat naast fenobarbital ook Epitard (fenytoine),
dat gebruikt kan worden als hij niet goed reageert op de standaard behandeling.
Ook is in Nederland het medicijn kaliumbromide (KBr) weer in opkomst: dit kan
gebruikt worden als enkelvoudig medicijn, maar vaker nog wordt het als
aanvulling toegevoegd aan fenobarbital. Het is verstandig kaliumbromide als
laatste redmiddel te gebruiken, aangezien dit medicijn ook gegeven kan worden
als er leverbeschadiging is opgetreden door fenobarbital
Mijn hond van een jaar oud gedraagt zich af en toe heel raar. Zij heeft al
een paar keer een toeval gehad, maar tussendoor lijkt ze wel agressief te
worden. Hoort dat ook bij epilepsie?
Agressie is geen normaal symptoom bij epilepsie. Aangezien uw hondje nog niet zo
oud is, zou er sprake kunnen zijn van een levershunt, een aangeboren afwijking
waarbij een bepaald bloedvat bij de lever niet goed loopt. Uw dierenarts kan
testen of hier sprake van is middels een ammoniak-tolerantie test. Indien een
shunt wordt aangetoond, dan is een operatie mogelijk.
Wijzig nooit zomaar de medicatie van uw hond! Het wijzigen, vergeten,
uitbraken of stoppen van de medicijnen kunnen aanvallen veroorzaken en soms zelf
leiden tot een status epilepticus! Raadpleeg bij elke verandering uw dierenarts.
Meldt uw dierenarts altijd dat uw hond epilepsie heeft en welke medicijnen
hij gebruikt. Sommige behandelingen en/of medicijnen kunnen al dan niet in
combinatie met anti-epilepsiemedicijnen aanvallen in de hand werken.
Pas op met vaccinaties! Deze kunnen epileptiforme aanvallen opwekken. Overleg
met uw dierenarts voor een aangepast schema.
Geef geen voeding met chemische anti-oxidanten. De stoffen BHA, BHT en
ethoxiquin zijn belangrijke opwekkers van aanvallen. Beter is het om voeding te
geven die geen onnodige toevoegingen bevat, zoals versvleesvoedingen
(zie Barf pagina) Honden met epilepsie kunnen vrij
gevoelig zijn voor toevoegingen in hun voeding. Buiten het feit dat dit voor
alle honden niet goed is, geldt dat voor epileptische honden in het bijzonder.De
huidige voedingsindustrie bestaat grotendeels uit brokvoeding, waaraan de nodige
middelen zijn toegevoegd die voor de doorsnee hond, laat staan een epileptische
hond, niet echt gezond zijn. Buiten de toevoegingen bestaat brokvoeding
voornamelijk uit verhitte bestanddelen. Deze verhitting zorgt ervoor dat o.a. de
eiwitten in de voeding van structuur veranderen, en waarop het lichaam van de
hond een allergische reactie kan vertonen in de vorm van jeuk, uitslag of
gedragsproblemen.
De vraag is dus wat er dan gegeven kan worden. Sinds enkele jaren zijn er
diverse rauwe vleesvoedingen op de markt, zonder enige toevoegingen. Ook voor de
epileptische hond is zulke voeding ideaal, aangezien er geen
conserveringsmiddelen en/of antioxidanten inzit die aanvallen kunnen
veroorzaken.
Naast de versvleesvoedingen bestaat er ook de mogelijkheid zelf het dieet voor
uw hond samen te stellen. Uit diverse experimenten blijkt dat epileptische
honden in vele gevallen minder aanvallen krijgen als zij een natuurlijke
vleesvoeding krijgen. Soms zelfs blijven de aanvallen helemaal weg.
Natuurlijk kunt u niet zomaar wat vlees bij de slager vandaan in de bak van uw
hond stoppen; u dient zich eerst goed te orienteren wat allemaal wel en allemaal
niet kan. Voor deze informatie verwijzen wij u naar Barfplaats op internet, waar
gedegen kennis omtrent het voeren en samenstellen van vleesmaaltijden bij elkaar
gevoegd is.
Shampoos, anti-vlomiddelen en bestrijdingsmiddelen kunnen aanvallen opwekken.
Vermijd ze zo veel mogelijk.
Als uw hond meer aanvallen krijgt gedurende de loopsheid, zou het een optie
zijn uw hond te laten castreren. Overleg met uw dierenarts of dit raadzaam is.
Hou vanaf het begin een logboekje bij. Dit is handig bij het instellen en
eventueel aanpassen van de behandeling van uw hond.