De NSDTR Club
Home
Inhoudsopgave
Het Bestuur
Contact personen
Statuten
Huishoudelijk reglement
Lidmaatschap
Club Agenda
Formulieren
Jacht (JPC)info
Clubmatch  (KCM)  
Toller Tales
Thema foto's
Van onze leden 
Clubwinkel
Vacature-online
Fokkerij info
Fokcommissie
Info voor fokkers
Fokkerslijst
Dekreuenlijst
Dekbeoordeling
Nestbemiddeling
Fokreglement
Sanctiebeleid
Certificering
BRS en RSF
Raad van Beheer
Statistieken
RaadvanBeheer-Keurmerk
Waarde Stamboom
Drachtkalender
Dracht
Scheiden van pups
Exterieurkeuring
Showkalender
Trimadvies
Import/export
Inteelt
Canine Herpes  
Herplaatsing
Onderzoeken
ECVO Oogartsen
ECVO Uitslagen
Heupdysplasie
Elleboog dysplasie
ED Uitslagen
HD Uitslagen
Prcd-PRA test
CEA/ch test
PRA-CEA Uitslagen
Dilute/Buff test
Degenerative Myelopathy (DM)
SOD1(DM test)
Vrij bij geboorte
ADD research
Onderzoek SRMA
Onderzoek SLE
Haplotype
DNA-Research
DNA Profiel  
Groeicurve
Overige Info
Aanschaf
Rasstandaard
Geschiedenis 
Karakter
Gezondheid
Verzorging
Overlijden melden
Fotoalbum
Video
Literatuur/links

  Fokkersbijeenkomst

 

Themamiddag Exterieur.

De fokadviescommissie heeft dit jaar gekozen om het fokkersoverleg in te vullen met een themamiddag over het exterieur van de Toller. Hiervoor had men een 3-tal keurmeesters uitgenodigd, te weten mevrouw Tuus van Adrichem Boogaert-Kwint, de heer Bap Meerssman en de heer Wim Wellens, die samen met de aanwezige fokkers, dekreu-eigenaren en andere Toller-liefhebbers konden discussiėren over het exterieur van onze Tollers. Maar ook hoe de ontwikkeling van de Toller de laatste jaren is geweest, wat de keurmeesters in de ring aan veranderingen zien en wat de exposanten aan veranderingen zien, niet alleen de positieve, maar ook de negatieve dingen. Er ontstonden discussies naar aanleiding van de vragen die ons voorgelegd werden.

De eerste vraag die we voorgelegd kregen was “Waarom is het belangrijk om het exterieur van de hond te laten beoordelen?”

Ten eerste is het natuurlijk belangrijk om de kwaliteit van de hond op deze manier te kunnen vaststellen. Maar ook om fouten te kunnen vinden en op die manier proberen te voorkomen dat deze fouten door de fokkerij verdubbeld worden (daarom is het belangrijk dat reu- en teef-eigenaar keurverslagen naast elkaar leggen en niet alleen kijken naar de behaalde kwalificaties). Verder wordt volgens de aanwezige keurmeesters in de ring ook gelet op het karakter van de hond. Het gangwerk wordt beoordeeld, want zeker voor een ras met werkcapaciteiten moet het gangwerk optimaal zijn, anders kan de hond niet het werk doen waar hij oorspronkelijk voor gefokt is. En er wordt gekeken naar de vachtstructuur. Zeker bij een Toller behoort de vacht zodanig te zijn, dat bij het werken in het water de huid niet nat wordt.

Tijdens de discussie werd regelmatig teruggevallen op de rasstandaard staat. Over die rasstandaard waren de keurmeesters het duidelijk eens, deze is niet opgesteld om alleen maar mooie Tollers te fokken, maar ook om Tollers te fokken die kunnen werken. Een Toller die hoekingen mist, of waarvan bijvoorbeeld de opperarm te kort of te steil is, zal moeite hebben om met een gans langs de steile oevertjes die Nederland rijk is weer op het droge te komen. Zo werden er meerdere voorbeelden aangedragen over de invloed van het uiterlijk is op het werken. Met werken wordt niet alleen de jacht bedoelt, er werd ook gewezen op de consequenties van een Toller die niet goed gebouwd is en de problemen die dan kunnen ontstaan bij bijvoorbeeld de behendigheid.

Het volgende onderwerp dat aangesneden werd ging over het keurverslag, in het kort werden even wat kreten uitgelegd die regelmatig op keurverslagen verschijnen.

Als eerste kreet, het algemeen beeld en dan met name de hoekingen. Een Toller kan evenredig gehoekt zijn, dit houdt in dat de hoekingen voor en achter overeen komen, echter dit wil niet zeggen dat deze Toller dan ook goed gehoekt is. Het komt namelijk nog wel eens voor dat een Toller zowel voor als achter steil is, maar deze is dan wel evenredig gehoekt.

Goed gehoekt geeft dan ook aan wanneer de hoekingen wel goed zijn, en dat hoeft dan natuurlijk weer niet evenredig te zijn. Oftewel, een Toller kan achter heel goed gehoekt zijn, maar voor niet. Het beste is dan natuurlijk ook een evenredig goed gehoekte Toller.

Verder werd daarna aan de hand van een van de aanwezig Tollers uitgelegd wat op keurverslagen bedoelt wordt met de opvulling onder de ogen. Als de opvulling onder de ogen ontbreekt, dan is er een kans dat de achterste kiezen kleiner blijven. Meestal hangen de lippen dan weer wat over, dit kan problemen opleveren tijdens het werken, omdat de lippen dan in de weg hangen bij het apporteren en de Toller als het ware steeds op z’n eigen lippen bijt. De lippen behoren dan ook strak om het gebit heen te zitten, dat ziet niet alleen veel mooier uit, maar is dus ook nog een keer functioneel. Bij Tollers met hangende lippen, ziet men ook vaak veel keelhuid.

Als volgende kwam de voorhand aan de orde, ook hier werd weer aan de hand van een van de aanwezige Tollers een en ander verduidelijkt. Als de opperarm te kort is, kunnen de ellebogen los van de voorborst bewegen tijdens het lopen, en de ellebogen behoren straks lang het lichaam te zitten volgens de rasstandaard.

Ook de voeten van de Toller kwamen aan bod, deze behoren stevig te zijn om ook het werk op harde, ongelijke ondergronden te kunnen uitvoeren. Bij een goed gebouwde Toller staan de voeten recht onder het schouderblad. Als de opperarm te stijl is, gaat de hond dit compenseren in de enkelgewrichten.

In de ontwikkeling van de Toller (maar ook in andere rassen) is helaas de tendens dat de hoekingen minder worden, vooral de hoekingen van de voorhand zien de aanwezige keurmeesters duidelijk minder worden ten opzichte van een aantal jaren geleden.

Wat de keurmeesters nog meer opvalt is dat in de begintijd de Tollers in de ring aan de bovenkant van de rasstandaard zaten, en tegenwoordig te Tollers die in de ring verschijnen steeds kleiner en fijner worden. Bij het eerder genoemde ophalen van een gans aan de overkant van een sloot (met steile oevers) zal een stevige, grote Toller eerder kans van slagen hebben dan die kleinere, fijnere Toller.

Andere punten die de keurmeesters in negatieve zin hebben zien veranderen de laatste jaren zijn de lengte van de snuiten (deze worden steeds korter), het bone wordt minder, het gebit wordt minder in combinatie met het ontbreken van de opvulling onder de ogen. Maar ook bovenbelijningen die niet meer recht zijn (bij een oplopende bovenbelijning is de achterhand vaak stijl), en laagbenigheid zijn punten die de keurmeesters steeds vaker zien in de ring.

Punten die in positieve zin veranderd zijn, zijn het temperament, de goede staartdracht en de onderbelijning. Ook de ribben en de lengte van de honden worden door de keurmeesters als punten genoemd die in positieve zin gewijzigd zijn.

Verder werd door de keurmeesters nog aangegeven waarom men vaak op de achterhand met duim en wijsvinger aan het meten is, dit doet men om de ligging van het bekken te kunnen bepalen, maar ook om te controleren of de staartaanzet conform rasstandaard is.

Ook bij de schouderpartij zijn keurmeesters vaak aan het meten. Bij de Toller moet schouderbladlengte : opperarmlengte bijna 1:1 zijn. De afstand van de schoft tot de elleboog moet gelijk zijn aan de afstand van de elleboog tot de grond, dus ook 1:1.

Over de stand van de oren werd gemeld dat als deze te laag zitten deze open kunnen gaan staan, waardoor het lijkt alsof een Toller collie-oortjes heeft. Maar in het algemeen geldt dat de stand van de oren de laatste tijd wel verbeterd is.

Verder kwamen de ogen nog aan bod, deze behoren amandelvormig te zijn en goed uit elkaar te staan. Helaas komen er steeds meer Tollers voor met ronde of bolle ogen en dat is niet functioneel in de jacht, net zoals niet aangesloten oogleden. De stand van de ogen is belangrijk voor de Toller om diepte in te kunnen schatten. Hoe breder de basis hoe beter de hond diepte kan inschatten.

Helaas valt het de keurmeesters op dat in de ring vaak instabiele honden verschijnen, die angstig en onzeker zijn, terughoudend en moeilijk te benaderen. Een Toller mag wel terughoudend zijn, maar zeker niet angstig.

Ook het verdwijnen van het wit in de Toller is een punt dat de keurmeesters heel jammer vinden. Het lijkt erop alsof met het verdwijnen van het wit ook het temperament van de Toller verdwijnt. Echter men ziet in de ring wel liever te weinig wit als te veel wit. Bij het terugfokken van het wit zullen de fokkers heel goed moeten kijken naar zowel de voorouders als naar nestbroers en -zussen maar ook naar de eventuele nakomelingen.

Als een pup geboren wordt met zwarte haren dan zullen deze haren blijven. Als pups geboren worden met donkerbruine haren dan kunnen deze verdwijnen, maar in een later stadium ook weer terug komen. Verder wordt er onderscheid gemaakt tussen sabel rode Tollers, deze Tollers zijn in het nest lichter van kleur en worden naarmate ze ouder worden donkerder, en helder rode Tollers, deze zijn in het nest donkerder en worden lichter naarmate ze ouder worden.

Conclusies:

  • Keurmeesters hebben een grote invloed op de ontwikkeling van het ras.

  • Een ideale Toller is functioneel.

  • Een internationale kampioen is pas een kampioen als deze bewezen heeft dat hij kan werken en daarnaast ook nog mooi is. En ook thuis een kampioen is.

  • De Toller is een werkhond, maar als fokker ontkom je er niet aan om ook honden in huisgezinnen te moeten plaatsen.

  • Uiterlijk en temperament is een pakket. Als er gefokt wordt met leuke stabiele, goed gebouwde, functionele werkhonden, dan blijven de werkeigenschappen bewaart.

  • Nestdagen of fokdagen zouden een belangrijke stap vooruit kunnen zijn in de verdere ontwikkeling van de Toller.

Wat willen we bereiken?

Een functionele mooie Toller die aan de rasstandaard voldoet. Het streven naar eenheid is mooi maar overdrijf het niet en hou de genenpoel zo groot mogelijk.

 


Info