|
Themamiddag Exterieur.
De fokadviescommissie heeft dit jaar
gekozen om het fokkersoverleg in te vullen met een themamiddag over het
exterieur van de Toller. Hiervoor had men een 3-tal keurmeesters
uitgenodigd, te weten mevrouw Tuus van Adrichem Boogaert-Kwint, de heer
Bap Meerssman en de heer Wim Wellens, die samen met de aanwezige
fokkers, dekreu-eigenaren en andere Toller-liefhebbers konden
discussiėren over het exterieur van onze Tollers. Maar ook hoe de
ontwikkeling van de Toller de laatste jaren is geweest, wat de
keurmeesters in de ring aan veranderingen zien en wat de exposanten aan
veranderingen zien, niet alleen de positieve, maar ook de negatieve
dingen. Er ontstonden discussies naar aanleiding van de vragen die ons
voorgelegd werden.
De eerste vraag die we voorgelegd kregen
was “Waarom is het belangrijk om het exterieur van de hond te laten
beoordelen?”
Ten eerste is het natuurlijk belangrijk
om de kwaliteit van de hond op deze manier te kunnen vaststellen. Maar
ook om fouten te kunnen vinden en op die manier proberen te voorkomen
dat deze fouten door de fokkerij verdubbeld worden (daarom is het
belangrijk dat reu- en teef-eigenaar keurverslagen naast elkaar leggen
en niet alleen kijken naar de behaalde kwalificaties). Verder wordt
volgens de aanwezige keurmeesters in de ring ook gelet op het karakter
van de hond. Het gangwerk wordt beoordeeld, want zeker voor een ras met
werkcapaciteiten moet het gangwerk optimaal zijn, anders kan de hond
niet het werk doen waar hij oorspronkelijk voor gefokt is. En er wordt
gekeken naar de vachtstructuur. Zeker bij een Toller behoort de vacht
zodanig te zijn, dat bij het werken in het water de huid niet nat wordt.
Tijdens de discussie werd regelmatig
teruggevallen op de rasstandaard staat. Over die rasstandaard waren de
keurmeesters het duidelijk eens, deze is niet opgesteld om alleen maar
mooie Tollers te fokken, maar ook om Tollers te fokken die kunnen
werken. Een Toller die hoekingen mist, of waarvan bijvoorbeeld de
opperarm te kort of te steil is, zal moeite hebben om met een gans langs
de steile oevertjes die Nederland rijk is weer op het droge te komen. Zo
werden er meerdere voorbeelden aangedragen over de invloed van het
uiterlijk is op het werken. Met werken wordt niet alleen de jacht
bedoelt, er werd ook gewezen op de consequenties van een Toller die niet
goed gebouwd is en de problemen die dan kunnen ontstaan bij bijvoorbeeld
de behendigheid.
Het volgende onderwerp dat aangesneden
werd ging over het keurverslag, in het kort werden even wat kreten
uitgelegd die regelmatig op keurverslagen verschijnen.
Als eerste kreet, het algemeen beeld en
dan met name de hoekingen. Een Toller kan evenredig gehoekt zijn, dit
houdt in dat de hoekingen voor en achter overeen komen, echter dit wil
niet zeggen dat deze Toller dan ook goed gehoekt is. Het komt namelijk
nog wel eens voor dat een Toller zowel voor als achter steil is, maar
deze is dan wel evenredig gehoekt.
Goed gehoekt geeft dan ook aan wanneer
de hoekingen wel goed zijn, en dat hoeft dan natuurlijk weer niet
evenredig te zijn. Oftewel, een Toller kan achter heel goed gehoekt
zijn, maar voor niet. Het beste is dan natuurlijk ook een evenredig goed
gehoekte Toller.
Verder werd daarna aan de hand van een
van de aanwezig Tollers uitgelegd wat op keurverslagen bedoelt wordt met
de opvulling onder de ogen. Als de opvulling onder de ogen ontbreekt,
dan is er een kans dat de achterste kiezen kleiner blijven. Meestal
hangen de lippen dan weer wat over, dit kan problemen opleveren tijdens
het werken, omdat de lippen dan in de weg hangen bij het apporteren en
de Toller als het ware steeds op z’n eigen lippen bijt. De lippen
behoren dan ook strak om het gebit heen te zitten, dat ziet niet alleen
veel mooier uit, maar is dus ook nog een keer functioneel. Bij Tollers
met hangende lippen, ziet men ook vaak veel keelhuid.
Als volgende kwam de voorhand aan de
orde, ook hier werd weer aan de hand van een van de aanwezige Tollers
een en ander verduidelijkt. Als de opperarm te kort is, kunnen de
ellebogen los van de voorborst bewegen tijdens het lopen, en de
ellebogen behoren straks lang het lichaam te zitten volgens de
rasstandaard.
Ook de voeten van de Toller kwamen aan
bod, deze behoren stevig te zijn om ook het werk op harde, ongelijke
ondergronden te kunnen uitvoeren. Bij een goed gebouwde Toller staan de
voeten recht onder het schouderblad. Als de opperarm te stijl is, gaat
de hond dit compenseren in de enkelgewrichten.
In de ontwikkeling van de Toller (maar
ook in andere rassen) is helaas de tendens dat de hoekingen minder
worden, vooral de hoekingen van de voorhand zien de aanwezige
keurmeesters duidelijk minder worden ten opzichte van een aantal jaren
geleden.
Wat de keurmeesters nog meer opvalt is
dat in de begintijd de Tollers in de ring aan de bovenkant van de
rasstandaard zaten, en tegenwoordig te Tollers die in de ring
verschijnen steeds kleiner en fijner worden. Bij het eerder genoemde
ophalen van een gans aan de overkant van een sloot (met steile oevers)
zal een stevige, grote Toller eerder kans van slagen hebben dan die
kleinere, fijnere Toller.
Andere punten die de keurmeesters in
negatieve zin hebben zien veranderen de laatste jaren zijn de lengte van
de snuiten (deze worden steeds korter), het bone wordt minder, het gebit
wordt minder in combinatie met het ontbreken van de opvulling onder de
ogen. Maar ook bovenbelijningen die niet meer recht zijn (bij een
oplopende bovenbelijning is de achterhand vaak stijl), en laagbenigheid
zijn punten die de keurmeesters steeds vaker zien in de ring.
Punten die in positieve zin veranderd
zijn, zijn het temperament, de goede staartdracht en de onderbelijning.
Ook de ribben en de lengte van de honden worden door de keurmeesters als
punten genoemd die in positieve zin gewijzigd zijn.
Verder werd door de keurmeesters nog
aangegeven waarom men vaak op de achterhand met duim en wijsvinger aan
het meten is, dit doet men om de ligging van het bekken te kunnen
bepalen, maar ook om te controleren of de staartaanzet conform
rasstandaard is.
Ook bij de schouderpartij zijn
keurmeesters vaak aan het meten. Bij de Toller moet schouderbladlengte :
opperarmlengte bijna 1:1 zijn. De afstand van de schoft tot de elleboog
moet gelijk zijn aan de afstand van de elleboog tot de grond, dus ook
1:1.
Over de stand van de oren werd gemeld
dat als deze te laag zitten deze open kunnen gaan staan, waardoor het
lijkt alsof een Toller collie-oortjes heeft. Maar in het algemeen geldt
dat de stand van de oren de laatste tijd wel verbeterd is.
Verder kwamen de ogen nog aan bod, deze
behoren amandelvormig te zijn en goed uit elkaar te staan. Helaas komen
er steeds meer Tollers voor met ronde of bolle ogen en dat is niet
functioneel in de jacht, net zoals niet aangesloten oogleden. De stand
van de ogen is belangrijk voor de Toller om diepte in te kunnen
schatten. Hoe breder de basis hoe beter de hond diepte kan inschatten.
Helaas valt het de keurmeesters op dat
in de ring vaak instabiele honden verschijnen, die angstig en onzeker
zijn, terughoudend en moeilijk te benaderen. Een Toller mag wel
terughoudend zijn, maar zeker niet angstig.
Ook het verdwijnen van het wit in de
Toller is een punt dat de keurmeesters heel jammer vinden. Het lijkt
erop alsof met het verdwijnen van het wit ook het temperament van de
Toller verdwijnt. Echter men ziet in de ring wel liever te weinig wit
als te veel wit. Bij het terugfokken van het wit zullen de fokkers heel
goed moeten kijken naar zowel de voorouders als naar nestbroers en
-zussen maar ook naar de eventuele nakomelingen.
Als een pup geboren wordt met zwarte
haren dan zullen deze haren blijven. Als pups geboren worden met
donkerbruine haren dan kunnen deze verdwijnen, maar in een later stadium
ook weer terug komen. Verder wordt er onderscheid gemaakt tussen sabel
rode Tollers, deze Tollers zijn in het nest lichter van kleur en worden
naarmate ze ouder worden donkerder, en helder rode Tollers, deze zijn in
het nest donkerder en worden lichter naarmate ze ouder worden.
Conclusies:
-
Keurmeesters hebben een grote
invloed op de ontwikkeling van het ras.
-
Een ideale Toller is functioneel.
-
Een internationale kampioen is pas
een kampioen als deze bewezen heeft dat hij kan werken en daarnaast
ook nog mooi is. En ook thuis een kampioen is.
-
De Toller is een werkhond, maar als
fokker ontkom je er niet aan om ook honden in huisgezinnen te moeten
plaatsen.
-
Uiterlijk en temperament is een
pakket. Als er gefokt wordt met leuke stabiele, goed gebouwde,
functionele werkhonden, dan blijven de werkeigenschappen bewaart.
-
Nestdagen of fokdagen zouden een
belangrijke stap vooruit kunnen zijn in de verdere ontwikkeling van
de Toller.
Wat willen we
bereiken?
Een functionele mooie Toller die aan de
rasstandaard voldoet. Het streven naar eenheid is mooi maar overdrijf
het niet en hou de genenpoel zo groot mogelijk.
 |