De NSDTR Club
Home
Inhoudsopgave
Het Bestuur
Contact personen
Statuten
Huishoudelijk reglement
Lidmaatschap
Club Agenda
Formulieren
Jacht (JPC)info
Clubmatch  (KCM)  
Toller Tales
Thema foto's
Van onze leden 
Clubwinkel
Vacature-online
Fokkerij info
Fokcommissie
Info voor fokkers
Fokkerslijst
Dekreuenlijst
Dekbeoordeling
Nestbemiddeling  
Fokreglement
Sanctiebeleid
Certificering
BRS en RSF
Raad van Beheer
Statistieken
RaadvanBeheer-Keurmerk
Waarde Stamboom
Drachtkalender
Dracht
Scheiden van pups
Exterieurkeuring
Showkalender
Trimadvies
Import/export
Inteelt
Canine Herpes  
Herplaatsing
Onderzoeken
ECVO Oogartsen
ECVO Uitslagen
Heupdysplasie
Elleboog dysplasie
HD-ED Uitslagen
Prcd-PRA test
CEA/ch test
PRA-CEA Uitslagen
Dilute/Buff test
Degenerative Myelopathy (DM)
SOD1(DM test)
Vrij bij geboorte
ADD research
Onderzoek SRMA
Onderzoek SLE
Haplotype
DNA-Research
DNA Profiel  
Groeicurve
Overige Info
Aanschaf
Rasstandaard
Geschiedenis 
Karakter
Gezondheid
Verzorging
Overlijden melden
Fotoalbum
Video
Literatuur/links

  Ons fokreglement toegelicht

 

Ons fokreglement toegelicht - deel 4

Het inteeltpercentage

In ons fokreglement wordt aangegeven dat het inteeltpercentage niet boven de 6,25% mag uitkomen. In de praktijk betekent dat dat er geen zelfde dieren op de stamboom voorkomen.

We noemen dit out-cross: je kruist dieren die nauwelijks aan elkaar verwant zijn. Dieren die heel nabij verwant zijn kruisen noemen we inteelt. En iets verder van elkaar vandaan noemen we lijnteelt. De definities zijn niet heel scherp vastgelegd. Sommige mensen zeggen dat er geen verschil is tussen lijnteelt en inteelt, andere zeggen dat je pas van outcross mag spreken als het inteeltpercentage minder is dan 1% over 5 generaties en dat alles wat hoger is lijnteelt heet. Belangrijk is echter dat we er in de moderne fokkerij steeds meer van overtuigd raken dat ons ras gebaat is bij een zo laag mogelijk inteeltpercentage. Het lijkt heel logisch en bijna iedere leek kan je vertellen dat het gezonder is om onverwante dieren aan elkaar te kruisen dan verwante. Toch gebeurt het nog veel.

De belangrijkste reden voor een fokker om dieren uit dezelfde lijn te gebruiken, z.g. lijnteelt, is dat je er redelijk zeker van kunt zijn dat je een homogeen nestje fokt. Anders gezegd: je pups lijken veel op elkaar en de kans dat je de goede eigenschappen doorgeeft is groter bij verwante dieren dan bij onverwante. Dat komt omdat je de goede genen verdubbelt, terwijl je bij de out-crossfokkerij meer variëtiet bij elkaar brengt en maar moet afwachten wat het oplevert. In het nest komt dat tot uiting doordat je veel variëteit hebt. Nestbroers en zussen hoeven in het geheel niet op elkaar te lijken.

Maar – en daar schuilt hem het grote probleem van inteelt of lijnteelt fokken – je geeft niet alleen een verdubbeling van de goede genen, je verdubbelt ook de slechte genen. Problemen die je kunt onderdrukken door variëteit in de genen komen sneller tevoorschijn wanneer ze verdubbeld worden.

Om een ras in stand te houden leg je altijd een beperking op aan de genenvariëteit, want juist door die beperking maak je een ras tot een ras. Als je daar bovenop nog eens aan lijnteelt of inteelt gaat doen, beperk je je nog verder en breng je naar moderne inzichten versneld problemen in het ras aan het licht die anders helemaal niet aan de oppervlakte hadden hoeven komen.

In Zweden lopen er meer dan 3000 Tollers rond en geven ze om de zoveel jaar een rasboek uit. Daarin worden alle Tollers opgenomen die zich hebben aangemeld met foto en stamboom. In het laatste jaarboek uit 2004 zijn er om en nabij 400 Tollers opgenomen. Voor een fokker dankbaar studiemateriaal. Wat daarin opvalt is dat er de laatste jaren bijna geen directe inteelt wordt toegepast: vader met dochter, moeder met zoon, neef en nicht, grootvader met kleindochter etc.

Gelukkig lijkt het langzamerhand redelijk taboe. Wat daarin echter ook opvalt is dat bij sommige stambomen na drie generaties een enorme wirwar van broer met zus, vader met dochter of kleindochter te vinden is.  In één stamboom kwam ik over vijf generaties dezelfde reu vier keer tegen, werd ook nog neef met tante gepaard, en was één teefje in die stamboom: grootmoeder van de vader, overgrootmoeder van de moeder  en overgrootmoeder van de vader van de moeder. Als je dit reutje voor de fokkerij zou inzetten, zou je daar op de stamboom niets van terugzien, omdat de eerste drie generaties geen dezelfde namen laat zien, maar daarna is het één en al inteelt, lijnteelt en wel door de hele stamboom heen. Het zou een hele geldige reden zijn om deze hond niet te kiezen als partner voor je teefje, want je loopt een stevig risico op het binnenhalen van ongewenste genen.

Men zegt dat de Tollers zijn opgebouwd uit vijf verschillende Tollers, maar helemaal zeker weten doet men dat niet, omdat je toentertijd alleen mocht fokken met dieren waarvoor je betaalde en fokkers dat oplosten door één teefje te registeren en dan alle nestjes onder haar naam te zetten.

In de latere nesten toen er al gebruikt werd gemaakt van kennelnamen speelde dat niet meer, maar was men erg overtuigd van inteelt als de fokmethode om dezelfde goede eigenschappen van ons ras te bewaren. Zoals hierboven uitgelegd klopt dat ook, maar haalde de fokkers van toen veel ellende via de achterdeur weer naar binnen. Behalve ziektes die tevoorschijn kunnen komen is ook verlies van vruchtbaarheid een bekend verschijnsel van teveel inteelt. Blijkbaar heeft de natuur zelf ook een veiligheidsklep ingebouwd.

In ons fokreglement hebben we dus gekozen voor variëteit met als nadeel dat het lastiger is om eenduidige mooie Tollers te fokken. Keurmeesters klagen dan ook weleens dat er zoveel verschillen zijn in het ras. Gelukkig maar, blijkbaar is het ons toch gelukt om tijdig te blijven zoeken naar zoveel mogelijk genenvariëteit.

Er is overigens wel een alternatieve methode. En die is dat je zoekt naar een niet verwante partner voor je hond die qua type wel op je hond lijkt. Dan versterk je het type waar je van houdt zonder dat je teveel van dezelfde genen inbrengt. De uitkomst is weliswaar minder voorspelbaar dan bij lijnteelt of inteelt, maar is minder heterogeen dan wanneer je fokt met honden die qua uiterlijk niets met elkaar gemeen hebben.

In de fokadviezen zijn we begonnen met het vermelden van het inteeltpercentage, de z.g. COI. Het is verheugend om te merken dat vrijwel alle nestjes COI –percentages hebben die behoorlijk onder de 6,25% schommelen en dat fokkers zich er dus steeds meer van bewust zijn dat zij met een lage COI een bijdrage kunnen leveren aan het gezond houden van ons ras.

 De fokadviescommissie

Ons fokreglement toegelicht - deel 3

Waarom moet je 3 shows lopen voor je mag fokken?

Over het lopen van shows zijn de meningen onder hondenbezitters ernstig verdeeld. De ene helft vindt het waardeloos,
tijdverspilling en belachelijk en de andere helft vindt het leuk. Er zijn zelfs mensen die het nuttig vinden.
Ikzelf ben van de eerste groep overgestapt naar de groep die het leuk vindt en inmiddels hoor ik bij de groep die
het ook nuttig vindt. Hoe een mens niet kan veranderen in de loop van zijn leven.
Wie in de eerste groep thuishoort, zal ervan uitgaan dat er op een show alleen gekeken wordt naar wie een mooie hond heeft.
En dat wist je natuurlijk al, want dat is de jouwe. Mensen kunnen ook erg boos worden op de keurmeester als die dat niet
met ze eens is.
Maar een show is meer. Een keurmeester kijkt namelijk niet alleen naar schoonheid, maar kijkt ook naar bouw: zijn de
hoekingen goed, ligt het bekken van de hond op de juiste plaats of is het steil, heeft de hond een bij het ras horende
vacht, hoe is het gangwerk: loopt deze hond soepel en mooi uitgrijpend. En een hond met een goede bouw is een hond die
minder zal slijten dan een hond die zijn steile achterhand moet compenseren met steppende pasjes aan de voorkant.
Het risico op HD, vroegtijdige artrose, slijtage wordt minder met een hond die goed gebouwd is. Het is natuurlijk
geen wondermiddel, maar het helpt wel. En het feit dat er op de shows in de allereerste plaats gekeken wordt naar een
degelijk bouw en dat een hond die dat het beste heeft, de mooiste is, helpt om in de fokkerij de goede kant op te blijven
fokken.
Bij het beoordelen van de vacht is de maatstaf of de hond met deze vacht nog steeds kan doen waar hij oorspronkelijk voor
gefokt is. Sommige honden hebben bijvoorbeeld geen onderwol of de vacht is te fluffy en een Toller hoort een goed isolerende,
waterafstotende vacht te hebben. Want daarmee kan hij in de kou het water in.
Verder wordt er bij een show ook gekeken naar gebitsfouten. Die kunnen leiden tot diskwalificatie. Helaas is het al vaker
gebeurd dat een gebitsfout aan de aandacht van de keurmeester is ontsnapt, waardoor er toch hier en daar gefokt wordt met
een Toller die officieel niet voor de fok mag worden gebruikt. Ach zo’n gebitsfoutje, zegt u misschien, wat maakt het nu uit.
Bedenk dat door daar zorgvuldig op te letten gebitsfouten nog steeds relatief weinig voorkomen en als je dat zou loslaten er
ongetwijfeld honden gefokt gaan worden die uiteindelijk niet meer het juiste gereedschap hebben om hun eten te verorberen.
Het gebit zit er uiteindelijk niet voor niets en heeft een functie in de spijsvertering, namelijk het mechanisch kleiner maken
van het voedsel.
Dus ook deze diskwalificerende fout heeft met gezondheid te maken.
Verder let een keurmeester op overige in de rasstandaard beschreven diskwalificerende fouten. In de rasstandaard van de Toller
zijn onder andere beschreven: teveel wit, en een krulstaart, naast overigens serieuzere zaken als het hebben van twee ingedaalde
teelballen.
Over het laatste wordt niet vaak gediscussieerd, daar is men het wel mee eens. Het eerste: het wit of de krulstaart ziet men veel
vaker als onzin.
Toch wil ik er hier een pleidooi voor houden. Laten we het teveel wit als voorbeeld nemen. Omdat de mensen die hun Toller showen
weten dat ze met een hond met teveel wit het risico op diskwalificatie lopen, wordt er in de fokkerij naar gestreefd om het wit
binnen de perken te houden. Dat lukt heel vaak niet helemaal, dan worden er schattige pups met witte vlekjes in de nek geboren,
die vaak het eerst gekozen worden omdat ze zo’n lief snuitje hadden. Zou je dit criterium echter niet meer hanteren, dan kun je
voorspellen dat het als aandachtspunt in de fokkerij verdwijnt en dat we in korte tijd roodbonte Tollers gaan fokken. Daar kun je
overigens voor kiezen, en soms gebeurt het ook bij rassen, maar ik zou het zonde vinden als onze Toller zijn prachtige rode vacht
met witte puntjes aan de uiteinden zou verliezen. Met andere woorden, door het beschrijven in de rasstandaard van wat diskwalificerende
fouten zijn stuur je in je ras op gewenste fokkerij. Overigens betekent dat voor mij niet dat ik er nooit voor zou kiezen om een Toller
aan te houden voor de fokkerij waar ik van vind dat ze alles heeft wat ik zoek in een Toller maar wel met wat teveel wit. Het betekent
voor mij wel dat ik dan steeds op zoek zou gaan naar een combinatie waarin het wit in elk geval binnen de perken blijft.
Hetzelfde geldt voor zwart in de vacht. Er worden Tollers geboren met zwarte haren in de vacht. Dat die bijna altijd weer verdwijnen en
plaats maken voor een mooie roodbruine vacht, komt omdat er in de fokkerij voorzichtig met dat gegeven wordt omgesprongen. Dus een hond
die als pup zwart in de vacht had wordt gekruist met een hond die dat niet had. Dat neemt overigens niet weg dat er zo hier en daar pups
zijn waarbij het zwart blijft, maar die worden dan weer terecht van de fok uitgesloten.

Iedere keurmeester heeft ook het recht honden die agressief zijn uit te sluiten van de keuring. Of honden die zo angstig zijn dat ze zich
niet willen laten betasten. Je zou dus kunnen zeggen dat een keurmeester ook invloed kan uitoefenen op het karakter van het ras.
Helaas zie je bij sommige rassen dat er een onderscheid gemaakt wordt tussen de werkhonden en de showhanden. Soms zijn het zelfs totaal
verschillende types: bijvoorbeeld bij de Labrador kun je dat heel goed zien. De showlabradors worden alsmaar breder en de werklabradors,
de z.g. Field Labradors, zijn veel ranker van bouw. Ik vind dat persoonlijk een kwalijke ontwikkeling.
Toen Hans en Yvonne Vermeulen uit Canada terugkwamen, vertelden ze dat daar een dergelijke tweedeling ook bij de Tollers aan de gang is.
Prachtige, mooi gebouwde honden op de show maar weinig jachtpassie en daarnaast heerlijke werkhonden waar je niet enthousiast van werd als
je het lijf eens goed bekeek.
Ik kan alleen maar hopen dat dat in Nederland niet gebeurt, dat showen en werken elkaar aanvullen en versterken.
Rest nog de vraag waarom nou drie keer en waarom onder verschillende keurmeesters?
De keurmeesters zijn niet alwetend en alziend. Sommige zijn beter dan andere en sommige honden hebben hun dag niet en laten weinig moois
van zich zien.
Door om een oordeel van verschillende keurmeesters te vragen zorg je dus voor meer objectiviteit. Toen de Tollers in Nederland kwamen in 1988
was het fokreglement aangepast aan de eisen van een net beginnend ras in Nederland, maar nu de Toller een volwaardig plaats inneemt in Nederland
betekent dat ook dat je aan de fokkerij hogere eisen mag stellen. Dat betekent dat we vinden dat een hond op een show minimaal een Zeer Goed
moet halen, maar liever nog een Uitstekend. Een hond die de show met Goed of Matig verlaat, heeft als beoordeling gekregen dat hij teveel
afwijkt van de rasstandaard om geschikt te zijn voor de fokkerij in het ras.
Gebeurt dat een enkele keer, dan is er nog niet zoveel aan de hand, al betekent het wel dat je dan nog een keuring moet gaan lopen.
Gebeurt het vaker dan zou ik me serieus afvragen of je hond wel geschikt is voor de fokkerij. Uiteindelijk wil je met het fokken een bijdrage
leveren aan het ras en er geen afbreuk aan doen.

Namens de fokadviescommissie,
Chris Eelman

 

Ons fokreglement toegelicht - deel 2


Bij mij in de straat woont een Berner Sennen. Het is een hond van inmiddels een jaar die zich niet anders dan strompelend kan voortbewegen. Hij heet Max, is twee keer zo groot en zeker twee zo zwaar als de gemiddelde toller en heeft als pup van 5 maanden grote wandelingen gemaakt met zijn baas. Ik kwam ze weleens tegen: een opgetogen baas en een vermoeid pupje dat met zijn achterbenen aan het slepen was. Ik heb zijn baas proberen uit te leggen dat de wandeling echt veel te zwaar was voor Max, en meende toen al te zien dat hij HD had, maar het heeft niet mogen baten. Max heeft HD in de zwaarste vorm. De fokker meldde nog nooit HD-honden gefokt te hebben en dat ze wel een nieuwe pup mochten en heeft uiteindelijk het aankoopbedrag van deze hond terugbetaald. Maar daar is Max niet mee geholpen en ook de eigenaar maar ten dele. De eigenaar probeert nu met kleine wandelingetjes en operaties het leven voor Max dragelijk te houden. Ik hoop voor zijn baas dat hij de moed heeft in te grijpen als zijn hond echt pijn gaat lijden, want of dit hondenleven leuk is, betwijfel ik.

Een hond met HD is dus geen pretje en alle fokkers in onze ras zijn het er over eens dat je moet proberen om HD-loze honden te fokken. Dat lukt overigens aardig, want HD is geen groot probleem in ons ras. Toch komt het wel voor en dat is reden genoeg om alert te blijven.
Daarom moet elke hond, waarmee gefokt gaat worden, officieel geröntgend worden. Gelukkig is iedereen het er over eens dat dat moet gebeuren. Waar verschil van mening over bestaat is met welke uitslagen er nu wel of niet gefokt mag worden.
Honden met de uitslag HD A of HD B zijn vrij van heupdyplasie. Honden met de uitslag HD C,D of E niet. HD C-honden hebben een lichte vorm van heupdysplasie, HD D honden gemiddeld en een hond met een HD E-uitslag hebben zware heupdyplasie.
Over vier categorieën is iedereen het eens: met HD A en HD B honden mag je fokken, met HD D en HD E honden niet. De grote discussie gaat over de HD C-honden. Dat zijn namelijk honden waarvan je nauwelijks of zelfs niet merkt dat ze HD hebben.
Vanuit de genetica weten we dat heupdysplasie polygeen vererft. Dat wil zeggen dat er niet één factor is aan te wijzen waardoor honden HD hebben, maar dat het een samenspel is van meerdere factoren. Bovendien is ook het milieu van grote invloed op het tevoorschijn komen van HD. Een HD C- hond die niet te eiwitrijk gevoerd is in zijn jonge jaren en niet overbelast, zal mogelijk zijn hele hondenleven geen HD ontwikkelen.
In de genetica spreken ze over de erfelijkheidsgraad. Een ziekte met de factor 1 vererft voor 100% en een ziekte of afwijking met de factor 0 is voor 100% het gevolg van niet-erfelijke factoren. 
Een hond die door een ongeluk zijn staart is kwijtgeraakt zal bijvoorbeeld geen staartloze pups vererven. Voor HD heeft men het over een erfelijkheidsgraad van 35%. En daar begint naar onze mening de misvatting. 
Want veel mensen zeggen dan: HD is maar voor 35% erfelijk. En dat is niet waar: HD is voor 100% erfelijk, alleen het tot uiting komen van deze afwijking is voor 65% het gevolg van de wijze waarop de hond in zijn eerste jaar is behandeld.
Vanwege de polygene vererving is het niet zo dat als je een HD A-hond met een HD A-hond kruist dat je dan alleen maar HD A-honden krijgt. En ook is het niet zo dat als je een hond met HD kruist met een HD-vrije hond dat je dan 50% honden met HD in het nest hebt. Je nest kan zelfs helemaal HD-vrij zijn. Voor sommige rassen is dit gegeven aanleiding geweest om fokken met HD C-honden wel toe te staan. En ook binnen de Tollerwereld wordt er gefokt met honden met HD C-heupen.
Als club vinden we dat je alleen maar A en B honden mag fokken. En zelfs dat het verstandig is om niet alleen naar de ouderdieren te kijken, maar te onderzoeken wat er in de lijnen van de ouderdieren verder nog bekend is. Zo gaan we ervan uit dat een reu met HD B-heupen uit een lijn met verder alleen maar HD A-uitslagen een grotere kans heeft op het vererven van goede heupen dan een reu met HD A-heupen die uit een lijn komt waar ook honden met HD C-heupen of zelfs HD D en HD E-heupen in terug te vinden zijn. Onze mening komt voort uit de behoefte om het kleine HD-probleem in ons ras ook klein te houden. Het komt voort uit de wetenschap dat HD of het nu tot uiting komt of niet wel degelijk erfelijk is. En tenslotte komt het voort uit de behoefte aan verbetering. Onderdeel van een gezonde manier van fokken is ook de moed hebben om te durven selecteren en in onze ogen draag je met het toelaten van HD C-honden wel toe aan rasvermeerdering, maar niet aan rasverbetering en daar is het ons om te doen.

Chris Eelman
Fokcommissie

Wilt u de HD/ED status van uw Toller toegevoegd hebben aan de lijst op de website?
Stuur dan de kopie van de HD uitslag naar het secretariaat.

Ons fokreglement toegelicht - deel 1

Nu we nieuw fokreglement hebben vind ik het leuk om af en toe een stukje te schrijven waarin een keuze die daarin gemaakt is wordt toegelicht. 
In dit stukje wil ik het hebben over de beperking van het aantal nakomelingen van de reu.
Wat is er nou eigenlijk op tegen om een mooie goede reu vaker in te zetten? Waarom zou niet iedereen van een kampioen mogen profiteren?
Ten eerste wordt er in de genetica vanuit gegaan dat elk dier 6 tot 9 foute genen bij zich draagt. Deze foute genen zijn soms heel snel zichtbaar, omdat je ze al bij de kinderen tegenkomt, maar soms komen deze foute genen pas aan het licht in daaropvolgende generaties. Je kunt aan de buitenkant van een dier niet precies zien wat hij vererft en elk dier heeft dominante en recessieve genen. Met name die laatste kun je soms pas zien als je generaties verder bent. Bij de Duitse herder bleek bijvoorbeeld pas na een gigantische hoeveelheid dekkingen van een topreu over de hele wereld dat hij leed aan bloederziekte. En met geen van zijn nakomelingen kon nog verder worden gefokt.
Fokkers gaan soms heel snel aan dit gegeven voorbij en wijzen dan op de nakomelingen: "die zijn toch allemaal gezond". En bij de kleinkinderen zijn ze opa vergeten en als er dan problemen in het ras optreden komen die nooit van opa, maar is het de schuld van de directe ouders. Terwijl we ook in de mensenwereld genoeg voorbeelden om ons heen hebben om te weten dat ziektes generaties kunnen overslaan en ook heel goed weten dat we via onze ouders genen mee kunnen krijgen die van onze voorouders komen. 
Ten tweede is het voor de gezondheid van ons ras belangrijk om genenvariatie te behouden. Een rashond heeft per definitie een gebrek aan variatie in de genen, want honden binnen één ras hebben zo veel mogelijk dezelfde kenmerken. Door het overgebruik van reuen maak je die variatie nog kleiner. De gezondheid van ons ras heeft baat bij variatie. Door variatie kun je recessieve genen onderdrukken en voorkomen dat er gebrek aan vitaliteit en vruchtbaarheid optreedt. En mocht er dan toch een gebrek aan het licht komen, dan heb je de verscheidenheid in je ras nodig om dat gebrek te kunnen bestrijden.
Een dekreu heeft vaak meer invloed op het ras dan een teefje, omdat een teefje gemiddeld minder dan de helft van het aantal nakomelingen krijgt dan een reu. Vier nestjes van haar met gemiddeld ongeveer 6 pups zijn om en nabij de 25 pups. Overigens is dat niet altijd waar, want sommige teven zijn in bijna alle stambomen terug te vinden, bijvoorbeeld omdat veel fokkers juist met een nakomeling van dat teefje verder wil. Gezien het bovenstaande moge duidelijk zijn dat ik vind dat je ook daar voor moet waken.
Omdat we voorstander zijn van behoud van variatie staan we bij de club in Nederland een dekreu 60- 65 nakomelingen toe. Dat zijn ongeveer 10 dekkingen. Op het aantal dekkingen daarbuiten kunnen we geen invloed uitoefenen, maar gezien het bovenstaande hoop ik dat iedereen begrijpt dat wij er voorstander van zijn om ook in andere landen slechts met mate te dekken. Overigens wil dat niet zeggen dat dit getal nu in lengte van jaren de leidraad zal zijn. Het is gekoppeld aan het aantal Tollers in Nederland en kan dus ook veranderen met het groeien of kleiner worden van de Tollertjes in ons land.
We staan naar mijn mening aan de vooravond van een grote revolutie op het gebied van fokken. Door alle kennis die er via de studie van het DNA beschikbaar komt, zullen we in de toekomst meer kunnen zeggen over de goede en zwakke kanten van een combinaties. Maar wat altijd een rol zal blijven spelen is ethiek: ben je als fokker bereid om het belang van het ras als totaal in het oog te houden, ben je bereid om een bijdrage te leveren aan de genenvariatie of ga je alleen voor mooie nestjes van jezelf. Daar valt nog heel veel over te zeggen en soms is de scheidslijn tussen beide zienswijzen akelig dun, maar laten we blijven kijken hoe we beide behoeften op verantwoorde wijze kunnen combineren. 

Chris Eelman
April 2006

 

 

 


Info