|
Ons fokreglement toegelicht - deel 4
Het inteeltpercentage
In ons fokreglement wordt aangegeven dat
het inteeltpercentage niet boven de 6,25% mag uitkomen. In de
praktijk betekent dat dat er geen zelfde dieren op de stamboom
voorkomen.
We noemen dit out-cross: je kruist dieren
die nauwelijks aan elkaar verwant zijn. Dieren die heel nabij
verwant zijn kruisen noemen we inteelt. En iets verder van
elkaar vandaan noemen we lijnteelt. De definities zijn niet heel
scherp vastgelegd. Sommige mensen zeggen dat er geen verschil is
tussen lijnteelt en inteelt, andere zeggen dat je pas van
outcross mag spreken als het inteeltpercentage minder is dan 1%
over 5 generaties en dat alles wat hoger is lijnteelt heet.
Belangrijk is echter dat we er in de moderne fokkerij steeds
meer van overtuigd raken dat ons ras gebaat is bij een zo laag
mogelijk inteeltpercentage. Het lijkt heel logisch en bijna
iedere leek kan je vertellen dat het gezonder is om onverwante
dieren aan elkaar te kruisen dan verwante. Toch gebeurt het nog
veel.
De belangrijkste reden voor een fokker om
dieren uit dezelfde lijn te gebruiken, z.g. lijnteelt, is dat je
er redelijk zeker van kunt zijn dat je een homogeen nestje fokt.
Anders gezegd: je pups lijken veel op elkaar en de kans dat je
de goede eigenschappen doorgeeft is groter bij verwante dieren
dan bij onverwante. Dat komt omdat je de goede genen verdubbelt,
terwijl je bij de out-crossfokkerij meer variëtiet bij elkaar
brengt en maar moet afwachten wat het oplevert. In het nest komt
dat tot uiting doordat je veel variëteit hebt. Nestbroers en
zussen hoeven in het geheel niet op elkaar te lijken.
Maar – en daar schuilt hem het grote
probleem van inteelt of lijnteelt fokken – je geeft niet alleen
een verdubbeling van de goede genen, je verdubbelt ook de
slechte genen. Problemen die je kunt onderdrukken door variëteit
in de genen komen sneller tevoorschijn wanneer ze verdubbeld
worden.
Om een ras in stand te houden leg je altijd
een beperking op aan de genenvariëteit, want juist door die
beperking maak je een ras tot een ras. Als je daar bovenop nog
eens aan lijnteelt of inteelt gaat doen, beperk je je nog verder
en breng je naar moderne inzichten versneld problemen in het ras
aan het licht die anders helemaal niet aan de oppervlakte hadden
hoeven komen.
In Zweden lopen er meer dan 3000 Tollers
rond en geven ze om de zoveel jaar een rasboek uit. Daarin
worden alle Tollers opgenomen die zich hebben aangemeld met foto
en stamboom. In het laatste jaarboek uit 2004 zijn er om en
nabij 400 Tollers opgenomen. Voor een fokker dankbaar
studiemateriaal. Wat daarin opvalt is dat er de laatste jaren
bijna geen directe inteelt wordt toegepast: vader met dochter,
moeder met zoon, neef en nicht, grootvader met kleindochter etc.
Gelukkig lijkt het langzamerhand redelijk
taboe. Wat daarin echter ook opvalt is dat bij sommige stambomen
na drie generaties een enorme wirwar van broer met zus, vader
met dochter of kleindochter te vinden is. In één stamboom kwam
ik over vijf generaties dezelfde reu vier keer tegen, werd ook
nog neef met tante gepaard, en was één teefje in die stamboom:
grootmoeder van de vader, overgrootmoeder van de moeder en
overgrootmoeder van de vader van de moeder. Als je dit reutje
voor de fokkerij zou inzetten, zou je daar op de stamboom niets
van terugzien, omdat de eerste drie generaties geen dezelfde
namen laat zien, maar daarna is het één en al inteelt, lijnteelt
en wel door de hele stamboom heen. Het zou een hele geldige
reden zijn om deze hond niet te kiezen als partner voor je
teefje, want je loopt een stevig risico op het binnenhalen van
ongewenste genen.
Men zegt dat de Tollers zijn opgebouwd uit
vijf verschillende Tollers, maar helemaal zeker weten doet men
dat niet, omdat je toentertijd alleen mocht fokken met dieren
waarvoor je betaalde en fokkers dat oplosten door één teefje te
registeren en dan alle nestjes onder haar naam te zetten.
In de latere nesten toen er al gebruikt
werd gemaakt van kennelnamen speelde dat niet meer, maar was men
erg overtuigd van inteelt als de fokmethode om dezelfde goede
eigenschappen van ons ras te bewaren. Zoals hierboven uitgelegd
klopt dat ook, maar haalde de fokkers van toen veel ellende via
de achterdeur weer naar binnen. Behalve ziektes die tevoorschijn
kunnen komen is ook verlies van vruchtbaarheid een bekend
verschijnsel van teveel inteelt. Blijkbaar heeft de natuur zelf
ook een veiligheidsklep ingebouwd.
In ons fokreglement hebben we dus gekozen
voor variëteit met als nadeel dat het lastiger is om eenduidige
mooie Tollers te fokken. Keurmeesters klagen dan ook weleens dat
er zoveel verschillen zijn in het ras. Gelukkig maar, blijkbaar
is het ons toch gelukt om tijdig te blijven zoeken naar zoveel
mogelijk genenvariëteit.
Er is overigens wel een alternatieve
methode. En die is dat je zoekt naar een niet verwante partner
voor je hond die qua type wel op je hond lijkt. Dan versterk je
het type waar je van houdt zonder dat je teveel van dezelfde
genen inbrengt. De uitkomst is weliswaar minder voorspelbaar dan
bij lijnteelt of inteelt, maar is minder heterogeen dan wanneer
je fokt met honden die qua uiterlijk niets met elkaar gemeen
hebben.
In de fokadviezen zijn we begonnen met het
vermelden van het inteeltpercentage, de z.g. COI. Het is
verheugend om te merken dat vrijwel alle nestjes COI
–percentages hebben die behoorlijk onder de 6,25% schommelen en
dat fokkers zich er dus steeds meer van bewust zijn dat zij met
een lage COI een bijdrage kunnen leveren aan het gezond houden
van ons ras.
De fokadviescommissie

Ons fokreglement toegelicht - deel 3
Waarom moet je 3 shows lopen voor je mag
fokken?
Over het lopen van shows zijn de meningen onder hondenbezitters
ernstig verdeeld. De ene helft vindt het waardeloos,
tijdverspilling en belachelijk en de andere helft vindt het
leuk. Er zijn zelfs mensen die het nuttig vinden.
Ikzelf ben van de eerste groep overgestapt naar de groep die het
leuk vindt en inmiddels hoor ik bij de groep die
het ook nuttig vindt. Hoe een mens niet kan veranderen in de
loop van zijn leven.
Wie in de eerste groep thuishoort, zal ervan uitgaan dat er op
een show alleen gekeken wordt naar wie een mooie hond heeft.
En dat wist je natuurlijk al, want dat is de jouwe. Mensen
kunnen ook erg boos worden op de keurmeester als die dat niet
met ze eens is.
Maar een show is meer. Een keurmeester kijkt namelijk niet
alleen naar schoonheid, maar kijkt ook naar bouw: zijn de
hoekingen goed, ligt het bekken van de hond op de juiste plaats
of is het steil, heeft de hond een bij het ras horende
vacht, hoe is het gangwerk: loopt deze hond soepel en mooi
uitgrijpend. En een hond met een goede bouw is een hond die
minder zal slijten dan een hond die zijn steile achterhand moet
compenseren met steppende pasjes aan de voorkant.
Het risico op HD, vroegtijdige artrose, slijtage wordt minder
met een hond die goed gebouwd is. Het is natuurlijk
geen wondermiddel, maar het helpt wel. En het feit dat er op de
shows in de allereerste plaats gekeken wordt naar een
degelijk bouw en dat een hond die dat het beste heeft, de
mooiste is, helpt om in de fokkerij de goede kant op te blijven
fokken.
Bij het beoordelen van de vacht is de maatstaf of de hond met
deze vacht nog steeds kan doen waar hij oorspronkelijk voor
gefokt is. Sommige honden hebben bijvoorbeeld geen onderwol of
de vacht is te fluffy en een Toller hoort een goed isolerende,
waterafstotende vacht te hebben. Want daarmee kan hij in de kou
het water in.
Verder wordt er bij een show ook gekeken naar gebitsfouten. Die
kunnen leiden tot diskwalificatie. Helaas is het al vaker
gebeurd dat een gebitsfout aan de aandacht van de keurmeester is
ontsnapt, waardoor er toch hier en daar gefokt wordt met
een Toller die officieel niet voor de fok mag worden gebruikt.
Ach zo’n gebitsfoutje, zegt u misschien, wat maakt het nu uit.
Bedenk dat door daar zorgvuldig op te letten gebitsfouten nog
steeds relatief weinig voorkomen en als je dat zou loslaten er
ongetwijfeld honden gefokt gaan worden die uiteindelijk niet
meer het juiste gereedschap hebben om hun eten te verorberen.
Het gebit zit er uiteindelijk niet voor niets en heeft een
functie in de spijsvertering, namelijk het mechanisch kleiner
maken
van het voedsel.
Dus ook deze diskwalificerende fout heeft met gezondheid te
maken.
Verder let een keurmeester op overige in de rasstandaard
beschreven diskwalificerende fouten. In de rasstandaard van de
Toller
zijn onder andere beschreven: teveel wit, en een krulstaart,
naast overigens serieuzere zaken als het hebben van twee
ingedaalde
teelballen.
Over het laatste wordt niet vaak gediscussieerd, daar is men het
wel mee eens. Het eerste: het wit of de krulstaart ziet men veel
vaker als onzin.
Toch wil ik er hier een pleidooi voor houden. Laten we het
teveel wit als voorbeeld nemen. Omdat de mensen die hun Toller
showen
weten dat ze met een hond met teveel wit het risico op
diskwalificatie lopen, wordt er in de fokkerij naar gestreefd om
het wit
binnen de perken te houden. Dat lukt heel vaak niet helemaal,
dan worden er schattige pups met witte vlekjes in de nek
geboren,
die vaak het eerst gekozen worden omdat ze zo’n lief snuitje
hadden. Zou je dit criterium echter niet meer hanteren, dan kun
je
voorspellen dat het als aandachtspunt in de fokkerij verdwijnt
en dat we in korte tijd roodbonte Tollers gaan fokken. Daar kun
je
overigens voor kiezen, en soms gebeurt het ook bij rassen, maar
ik zou het zonde vinden als onze Toller zijn prachtige rode
vacht
met witte puntjes aan de uiteinden zou verliezen. Met andere
woorden, door het beschrijven in de rasstandaard van wat
diskwalificerende
fouten zijn stuur je in je ras op gewenste fokkerij. Overigens
betekent dat voor mij niet dat ik er nooit voor zou kiezen om
een Toller
aan te houden voor de fokkerij waar ik van vind dat ze alles
heeft wat ik zoek in een Toller maar wel met wat teveel wit. Het
betekent
voor mij wel dat ik dan steeds op zoek zou gaan naar een
combinatie waarin het wit in elk geval binnen de perken blijft.
Hetzelfde geldt voor zwart in de vacht. Er worden Tollers
geboren met zwarte haren in de vacht. Dat die bijna altijd weer
verdwijnen en
plaats maken voor een mooie roodbruine vacht, komt omdat er in
de fokkerij voorzichtig met dat gegeven wordt omgesprongen. Dus
een hond
die als pup zwart in de vacht had wordt gekruist met een hond
die dat niet had. Dat neemt overigens niet weg dat er zo hier en
daar pups
zijn waarbij het zwart blijft, maar die worden dan weer terecht
van de fok uitgesloten.
Iedere keurmeester heeft ook het recht honden die agressief zijn
uit te sluiten van de keuring. Of honden die zo angstig zijn dat
ze zich
niet willen laten betasten. Je zou dus kunnen zeggen dat een
keurmeester ook invloed kan uitoefenen op het karakter van het
ras.
Helaas zie je bij sommige rassen dat er een onderscheid gemaakt
wordt tussen de werkhonden en de showhanden. Soms zijn het zelfs
totaal
verschillende types: bijvoorbeeld bij de Labrador kun je dat
heel goed zien. De showlabradors worden alsmaar breder en de
werklabradors,
de z.g. Field Labradors, zijn veel ranker van bouw. Ik vind dat
persoonlijk een kwalijke ontwikkeling.
Toen Hans en Yvonne Vermeulen uit Canada terugkwamen, vertelden
ze dat daar een dergelijke tweedeling ook bij de Tollers aan de
gang is.
Prachtige, mooi gebouwde honden op de show maar weinig
jachtpassie en daarnaast heerlijke werkhonden waar je niet
enthousiast van werd als
je het lijf eens goed bekeek.
Ik kan alleen maar hopen dat dat in Nederland niet gebeurt, dat
showen en werken elkaar aanvullen en versterken.
Rest nog de vraag waarom nou drie keer en waarom onder
verschillende keurmeesters?
De keurmeesters zijn niet alwetend en alziend. Sommige zijn
beter dan andere en sommige honden hebben hun dag niet en laten
weinig moois
van zich zien.
Door om een oordeel van verschillende keurmeesters te vragen
zorg je dus voor meer objectiviteit. Toen de Tollers in
Nederland kwamen in 1988
was het fokreglement aangepast aan de eisen van een net
beginnend ras in Nederland, maar nu de Toller een volwaardig
plaats inneemt in Nederland
betekent dat ook dat je aan de fokkerij hogere eisen mag
stellen. Dat betekent dat we vinden dat een hond op een show
minimaal een Zeer Goed
moet halen, maar liever nog een Uitstekend. Een hond die de show
met Goed of Matig verlaat, heeft als beoordeling gekregen dat
hij teveel
afwijkt van de rasstandaard om geschikt te zijn voor de fokkerij
in het ras.
Gebeurt dat een enkele keer, dan is er nog niet zoveel aan de
hand, al betekent het wel dat je dan nog een keuring moet gaan
lopen.
Gebeurt het vaker dan zou ik me serieus afvragen of je hond wel
geschikt is voor de fokkerij. Uiteindelijk wil je met het fokken
een bijdrage
leveren aan het ras en er geen afbreuk aan doen.
Namens de fokadviescommissie,
Chris Eelman
|